Marco Pothuizen blog

Marco Pothuizen blog

Over het blog.

Stukjes vanuit het hart, uit liefde voor de dieren, tegen onrecht of onfatsoen. Soms diepzinnig, een andere keer weer mag het kant noch wal raken. Niets is bedoeld om te kwetsen, maar puur om te vermaken of om over na te denken.

Neem ook eens een kijkje op mijn site.

http://www.marco-pothuizen.nl


Met vriendelijke groet,

Marco

De parachutist en Karel.

Gesprekken met overledenen.Posted by Marco Pothuizen Sat, June 10, 2017 18:35:39

Irma las in de streekkrant een stukje over een 'Romeinse dag' in Nijmegen waar werkelijk van alles te zien en te beleven zou zijn. Er zouden strijdtonelen zijn, oude ambachten, kraampjes en informatie over de Romeinen zelf natuurlijk.
We hadden verder niets in de planning en besloten daar naartoe te gaan.
Ik ken Nijmegen redelijk en las waar het werd georganiseerd. Een routeplanner was daarom overbodig.
We reden weg en hoe we ook zochten ik kon het niet vinden. Op een gegeven moment had ik er schoon genoeg van en besloot daarom huiswaarts te keren en de 'toeristische' route via Beek te nemen.

Beek kende ik vrij aardig, aangezien ik daar op een internaat heb mogen vertoeven. 's Middags had je altijd een uur pauze en dat uur benutte ik dan om het bos in te gaan. Vlakbij het internaat liep een beekje in een geul. Boven aan het pad stond een gigantische boom. Die boom trok me altijd enorm aan. Vaak ging ik er dan ook onder zitten, al mocht dat eigenlijk niet omdat het allemaal was afgezet.
Op een gegeven moment reden we langs een enorme steen. Irma kreeg meteen hoofdpijn en een stem begon tegen haar te praten.
Het bleek een overleden parachutist te zijn. We keerden om naar de steen. Nu zagen we dat het een oorlogsmonument was ter nagedachtenis van gevallen soldaten uit de periode van Market Garden.
Irma's hoofdpijn verdween en de soldaat wilde zijn verhaal aan ons vertellen.

“Ach ja, waarom ook niet. Die Romeinse dag vinden we toch niet meer.”

De para sprak: “Ons vliegtuig is uit koers gegaan. We wisten niet meer precies waar we vlogen. Op dat moment werden we door granaten van een anti air geschut getroffen.
Het vliegtuig was te zwaar beschadigt en ik kreeg bij die treffers granaatsplinters in mijn benen.
Ik had geen andere keuze dan te springen in een gebied dat de Duitsers toen beheersten.
Ik belande in een geul bij een beekje.”

Op dat moment zei ik dat ik waarschijnlijk wel wist waar dat zou moeten zijn. Inderdaad, op de plek waar ik in mijn jeugdjaren tijdens de pauze naartoe getrokken werd.
We besloten via een kronkelig onregelmatig pad er naar toe te gaan.
De geul was nog altijd even mooi, en de para wees exact naar de plek waar ik altijd zat.

“Mijn verwondingen waren te groot om nog te kunnen lopen. En ik was bang dat de Duitsers mij zouden vinden, dus ik besloot me te verstoppen. Daar ben ik toen later doodgebloed.”

Na zijn verhaal keerden we terug richting auto en kwamen toen langs een enorm oud kerkhofje.

Karel een overleden man die erg groot was meldde zich aan.
Het was een ruwe man in zijn woorden en had altijd hard gewerkt.

“Jullie moeten mijn moeder vinden! Ze ligt hier en ik wil nog wat tegen haar zeggen!”

Moeten? Dat klonk al niet erg grappig. Maar we hadden er al eentje geholpen vandaag, dus waarom geen tweede?
Er lagen aardig wat stenen. De meeste waren vies en sommigen bijna onleesbaar. Voor ons was het duidelijk geen grootse vorm van onderhoud. Best jammer want het lag erg mooi tegen de bosrand aan.
Na ruim 40 minuten zoeken vonden we het wel welletjes. Niks gevonden. Helaas. Dus we liepen weer richting auto. Karel bleef ons echter volgen. “Jullie moeten beter zoeken, ze ligt daar echt ergens!”

– “Ja hallo Karel! Nu is het welletjes! Als je haar wilt spreken dan ga je maar naar het Licht. Daar is ze namelijk al.”

Maar Karel was net zo star als groot. Zei niets, bleef meelopen, en stapte zelfs mee in de auto.
Op het moment dat ik de riem omdeed werd er een kaart in mijn hoofd geprojecteerd.

“Hee, dat is bizar, ik zie een kaart met een route.” vertelde ik Irma “Die ga ik volgen.”

Ik volgde exact elke aanwijzing op en kwam in straten die ik nog nooit had gezien of van gehoord.
U begrijpt het al, we kwamen precies uit bij de Romeinse open dag.
(Later heb ik op een kaart gekeken, en dat was de kortste route)
De grote Romeinse dag bleek een grote aanfluiting te zijn. Een paar lullig kraampjes, honderden kinderen en wat sullig kijkende figuranten. We waren er dan ook snel vertrokken.
Thuis aangekomen bleef Karel maar mokken en aandringen om terug te gaan. We negeerden hem, en hij vertrok.

's Avonds toen we nog geen 2 minuten in bed lagen verscheen Karel er weer.

“Jullie moeten echt terug!”

Nu was ik het zat. Ik vroeg Irma even een tunnel naar het Licht te maken, en deze opende zich spontaan naast Karel.
Nog voordat hij wat kon uitbrengen greep een enorme witte hand die zo groot als Karel zelf was hem vast en trok hem zo het Licht in. Daarop sloot de het portaal zich meteen.

“heheh, eindelijk rust.” zei ik nog.

– “Heb jij hem er in geduwd?” vroeg Irma?

“Nou nee, technisch gesproken niet. Tròk ik hem erin tegen zijn eigen wil. Maar eigenlijk is het dus een 'ja'.”

Een dag later verscheen Karel weer in de avond. Helemaal in het wit omgeven.

“Ik heb mijn moeder gevonden! “ zei hij blij. “Ze was inderdaad in het Licht. Jij bent mijn vriend!”

Hoe mooi sommige zaken soms lopen...



  • Comments(1)//blog.marco-pothuizen.nl/#post151